Architect en socioloog Mári Glas (1968) buigt zich over noodlijdende vraagstukken in wetenschap en samenleving. Onder zijn redactie schrijven zijn (half)zussen Rémi ('55), Lis ('57), Mila ('68) en Ira ('83) Glas op hun Eigen Wijze met hem mee, over zelfgekozen onderwerpen. Waar het langer moet, laten zij hun ideeën rijpen op eikenhout en vullen hun eigen blogs hiermee. Waar het korter kán schenken zij hieruit gezamenlijk een Glaasje, van maximaal 300 milliliter, oftewel 300 woorden. Proost!


maandag 17 april 2017

Nedersnobisme

Met nieuwe woorden (neologismen) draag je bij aan de ontwikkeling van de taal.
Dat is prijzenswaardig.
Want de (sociale) werkelijkheid is knap ingewikkeld.
De oneindige complexiteit ervan vraagt een rijk geschakeeerd en onuitputtelijk (sociologisch) vocabulaire!

Toch kan ik, bij het lezen van bepaalde sociologen, de associatie met een reu die dwangmatig zijn sporen uitzet nauwelijks onderdrukken.*
Kan een socioloog dan werkelijk helemaal niets meer zeggen met gewone, voor gemiddelde Nederlanders begrijpelijke woorden?!
“Verboden voor onbevoegden”, lijkt zo’n tekst de (zeldzame?) lezers toe te schreeuwen.
Een geïnteresseerde leek zoals ik laat zich eenvoudig op de vlucht jagen.

Ik ben al weg!
Ik ga wel ergens anders wandelen!

Ook onze reu stuitte overal op plasjes van eerdere passanten.
Maar daar piste hij overheen, net zo makkelijk!
Kwestie van dominantie.

Zo’n reu heeft wel iets aandoenlijks.
Hij heeft zichzelf ook niet gemaakt.
Maar wat zou er gebeuren met gangbare, sleets geworden woorden waar te vaak ...tsja... overheen gepist is?
Ogenschijnlijk gedachteloos, zonder enige bijbedoeling.
Maar wél door talloos veel passanten?

Neem de snob.**
Volgens Kramers woordenboek:
Iemand wiens gedrag gekenmerkt wordt door overdreven verfijndheid en die zich van anderen tracht te onderscheiden door een grote kennis van en liefde voor culturele zaken voor te wenden.**
Maar Cambridge Dictionary*** definieert:
A person who respects and likes only people who are of high social class, and/or a person who has extremely high social standards who is nog satisfied by the things that ordinary people like.
Filosoof Alain de Botton formuleert snobisme kernachtiger:
De onverbiddelijke overtuiging dat iemands maatschappelijke rang en zijn waarde als mens volstrekt met elkaar in overeenstemming zijn.**
Kortom: Nedersnobisme heeft niets meer gemeen met de Engelse tegenhanger.
En nóg minder met het wat penetrant riekende plasje van de filosoof.
Zo vervlogen uitgerekend de interessantste geuren.
Meegevoerd door Neerlands heersende(!) windrichting.

Plasje doen, Botton?!

Mila Gras-Glas (1968)

* Zie ook: Mila Gras-Glas, “De socioloog en de schrijver: zoek de verschillen”
** Zie voor herkomst van beide definities: Mári Glas, “Over snobisme”
*** Cambridge Dictionary, “meaning of snob”

zondag 16 april 2017

In de volgmond

Eerder beschreef ik de sociologische neiging tot neologismen.
Soms verzinnen menswetenschappers deze nieuwe woorden helemaal zelf.
Vaker zijn het samengestelde termen, of varianten op bestaande woorden.
Ook kan het gaan om verbasteringen van anderstalige woorden, waarvoor blijkbaar geen passende vertaling bestaat.
Maar vaak kan ik zelf, met mijn boerenverstand, best een Nederlands alternatief bedenken.

Soms voegt een nieuw woord daadwerkelijk iets toe.
Zoals de – zowel Nederlands- als Engelstalige – term ‘precaria(a)t’, samengesteld uit ‘precair’ (kwetsbaar, onzeker) en ‘proletariaat’ (arbeidersklasse).
Precariaat betekent dus zoiets als kwetsbaar volk.
Zelfs zonder de theorie erachter precies te kennen begrijp je, bij benadering, wat ermee bedoeld wordt.
Precariaat: een almaar kwetsbaarder wordende arbeidersklasse, onzeker (precair!) voortgedreven van tijdelijk contract naar tijdelijk contract.
Terwijl bestaande sociale vangnetten scheuren en gaten beginnen te vertonen.

Precariaat klinkt vanzelfsprekend.
Geen ander woord lijkt toepasselijker.
Na één keer uitleg onthoud je het.
Zulke woorden verrijken de taal.

Soms is een woord er ineens.
Zo typte ik pas geleden "in de volgsmond”, waar ik “volksmond” had bedoeld.
Niet toevallig over de veelgehoorde dooddoener: 
“schoonheid is subjectief”.
Zo’n typefout zou je “Freudiaans” kunnen noemen.
Alsof je on(der)bewuste een duit in het zakje doet.

Die “s” kan wel weg.
“In de volgmond” wordt het dan.
Waar de échte wetenschap georganiseerde twijfel is, krijgen wetenschappelijk klinkende uitspraken in de volgmond juist een wat onwrikbaar karakter.
Zo smoort de volgmond elke eerlijke discussie in de kiem.
Want jouw waarneming 'subjectief' noemen is een beleefde manier om jou de mond te snoeren.

De volgmond is opvallend vaak hoger opgeleid en eert de heilige drie-eenheid: deskundigheid, objectiviteit, rationaliteit.
Zelfs – juist! – waar het hem(!) betrekkelijk onbekende vakgebieden betreft.
De volgmond gelooft(!) heilig in feiten, dan wel techniek.
In de “onzichtbare hand van de markt”, of in economische groei.

Tip: glimlach de volgmond allervriendelijkst toe.
Maar maak je snel uit de voeten.

Mila Gras-Glas (1968)

zaterdag 15 april 2017

De socioloog en de schrijver: zoek de verschillen

Sociologen bedenken graag nieuwe woorden.
Want de sociale werkelijkheid is ingewikkeld.
De relativiteitstheorie is er niets bij!
De bestaande (Nederlandse!) woordenschat lijkt hopeloos ontoereikend.

Toch komen goede (roman)schrijvers vaak een heel eind.
Met normale woorden, die iedereen kent.
Want schrijvers graven stukjes werkelijkheid op, lijmen ze in elkaar, poetsen ze schoon en etaleren ze.
Met hun moedertaal als voornaamste instrument.

Ineens zie je het zelf ook.
Dankzij de inspanningen van de schrijver.
Daar loopt een “mannetje van Carmiggelt”!
Maar dat mannetje bestond natuurlijk al.
Onzichtbaar, totdat de schrijver iets van zijn “wezen” openbaarde.
En daarmee ontelbare anonieme medemannetjes een eigen gezicht verleende.

“Ja, maar da’s fictie”, zeggen de mensen dan, “subjectief!”.
Waarmee ze bedoelen dat het “verder” niets betekent.
Tenminste niets dat enige universele waarde heeft.
Deze verdachtmaking is het eeuwige lot van de schrijver.
Al went het nooit.
Want schuilt het universele niet juist in het specifieke?

Wie hiervoor terugdeinst, bedankt voor dit vak.*
Echte schrijvers treden – met ware doodsverachting! – buiten de groep.
Wie durft, verlaat de vaste grond van het algemene en baant zich een weg door het bijzondere.
Paradoxaal genoeg bieden juist algemene woorden hierbij houvast.

Maar een socioloog subjectief noemen, is te vergelijken met een poging tot professionele doodslag.
Want sociologen zijn wetenschappers.
Wetenschappers opereren binnen een strenge hiërarchie en zijn afhankelijk van hun vakgenoten.
Een wetenschapper zonder universeel geldige aanspraken en pretenties is als een slecht wortelende boom.

Schrijver en socioloog: zoek de verschillen.

Schrijvers heersen over de woorden.
Bovendien willen schrijvers gelezen én (tenminste enigszins!) begrepen worden.
Sociologen daarentegen richten zich op vakgenoten.
Het hoogst bereikbare is een eigen theorie, met zelfgekozen(!) doopnaam en internationale geldigheid.

Maar waarom moet dat allemaal zo lang duren?!
Met hun overmaat aan zelfbedacht jargon lijken sommige sociologen alvast vooruit te lopen op (eventuele!) toekomstige theorieën.
Typisch gevalletje overmoed?

Mila Gras-Glas (1968)


* Zie ook: Mila Gras-Glas, “Schrijver worden? Nu even niet!”

woensdag 12 april 2017

Spreken is goud, als het gaat over behoud

Het probleem met schoonheid is dat je er geen zinnig woord over lijkt te kunnen zeggen.
Want schoonheid is subjectief.
Volgens wetenschappers, en dus inmiddels óók in de volgsmond.

Subjectief:
Betrekking hebbende op persoonlijke ervaring, smaak, zienswijze of oordeel.

Ervaring:
Voelde jij je rot onder mijn behandeling?
Jammer voor jou, maar ík heb dat héél anders ervaren!

Smaak:
Tante Sjaan geniet van éénjarige zomerbloeiers, van een bouwmarkt.
Zo fleurig!
Ze bloeien de hele zomer!
Zonder ladingen kunstmest, kaswarmte en gif kunnen dergelijke plantjes helemaal niet bestaan.
Het zijn plofbloemen.
Opgepimpt, als gebotoxte en gephotoshopte pin-up modellen.
Voordeel: je hoeft er geen relatie mee aan te gaan.
Zaaien is niet nodig, en na de zomer gooi je ze gewoon weg.

Zienswijze:
Soft-porno, noemt landschapsarchitect Piet Oudolf deze wijze van tuinieren.
Oudolf ziet schoonheid in de gehele levensloop van een plant.
Zoals een fotograaf die karaktervolle, expressieve gezichten portretteert.
Het silhouet van uitgebloeide planten, bedekt met rijp.
Zaaddozen, belaagd door insecten en vogels.

Oordeel:
Noemen we Oudolfs zienswijze deskundig?
Of is een hiërarchie in zienswijzen uitsluitend voorbehouden aan snobs?
Want welke bruut zou tante haar fleurige zomerbloeiers misgunnen?!

Waarde:
Wie schoonheid als argument gebruikt – bijvoorbeeld om (onvervangbare) waarde te benadrukken – loopt onherroepelijk vast.
Want wát het beschermen en/of behouden “waard” is, lijkt altijd relatief, betrekkelijk.

“Het bos is mooi, maar onze koeien ook”,
aldus veehouders die willen uitbreiden langs het Groningse “oerbos” Lieftinghsbroek.*
Eerbiedwaardig bos op leeftijd, met een bovengemiddelde biodiversiteit: 

Oerbos Liefinghsbroek, Groningen. Foto: Dagblad van het Noorden*

Mooi!
Maar landbouw is een “belangrijke economische drager” van het gebied, aldus de krant.**

Verdachte, wat is hierop uw antwoord?
Want spreken is goud, met betrekking tot behoud!

Gelukkig vond landschapsarchitect Adriaan Geuze de juiste - want hedendaagse! - argumenten.***
Landschappelijke schoonheid heeft economische(!) waarde.
Je lokt er hoogopgeleide, creatieve en ondernemende kenniswerkers mee!
Natte droom van elke gemeente ;-)

Slim!
Bedankt, Adriaan.

Mila Gras-Glas (1968)

* Dagblad van het Noorden, 13 mei 2009
** Dagblad van het Noorden, “Veehouders muurvast door oerbos”, Marcel Looden, 16 april 2016
*** Adriaan Geuze, “Lelijk land schrikt talent af”, de Volkskrant, Vonk, 18 juni 2016

dinsdag 11 april 2017

Schrijver worden? Nu even niet!

Een schrijver kan niet aardig zijn. Je moet breken met je familie. Je moet weg, liefst emigreren, buiten het bekende treden. Je moet weten wat het is om niet meer geborgen te zijn in het bekende. Datgene wat een kind nooit wil - buiten de groep staan - is voor een schrijver onontbeerlijk. Hij moet aan de kant van de weg staan en zeggen: ja maar de keizer heeft geen kleren aan, jongens! Dat durf je niet zolang je nog veel belang hebt, bij welke groep ook. En een familie is de meest beminde groep die er bestaat.*
Aldus Connie Palmen.

Als ik eerlijk ben wilde ik altijd schrijfster worden.
Opleidingen zitten alleen maar in de weg, meende ik.
Na de vijfde verliet ik dan ook welgemoed het gymnasium, om "mijn creativiteit te redden".
En ook een beetje om te vertrekken met mijn - door mij zeer bewonderde! - verre neef.
Grootse plannen had hij, en ik dus ook.
Ik volgde hem, zowel op verre reizen als in voorkeuren en bezigheden.

Inmiddels heb ik zelf liefhebberijen ontwikkeld en ben het niet altijd meer met hem eens.
Bovenal ontwikkelde ik een voorkeur voor de zwaar bevochten en - naar verhouding - eigenzinnige, originele, maar niet altijd even doeltreffende vaardigheden van verstokte autodidacten.

Maar daar sta je dan, tegen je vijftigste, en je schreef vooralsnog geen serieus woord.
Tenminste niets dat de felbegeerde titel “schrijver” – of zelfs maar het laffe “publicist” – rechtvaardigt.
Wel ontelbaar veel ellenlange e-mails – desnoods midden in de nacht! – en voorheen: brieven.
Want mijn geschreven babbelzucht** kent geen grenzen.
Schrijven: denken langs lijnen van onverwacht perspectief.
Vergezichten zelfs.

Wat hield mij tegen?
Faalangst, meende ik jarenlang.
Schrijven als veelbelovend cadeautje, welbewust onuitgepakt in een la.
Mislukken kan altijd nog, nietwaar?

Maar Palmen hééft een punt.
De bijbehorende, onafwendbare eenzaamheid vormde mijn grootste obstakel.

Mila Gras-Glas (1968)

* Interview met Connie Palmen, door Wilma de Rek, de Volkskrant, 18 maart 2017
** Zie ook Mila Gras-Glas, “Over de noodzaak van babbelen”

"schoonheid schoonheid", maar zónder troost

De beroemdste dichtregel van Lucebert gaat over schoonheid:
in deze tijd heeft wat men altijd noemde schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand [zij troost niet meer de mensen [zij troost de larven de reptielen de ratten*
Deze regels werden in de naoorlogse periode geschreven.
In dat licht leek schoonheid smakeloos, nietszeggend: een vorm van struisvogelpolitiek.
Voor wie onmenselijk is, doof, of stekeblind.

Lucebert is mijn favoriete Nederlandse dichter.**
Zijn dichtregels lijken, als oude kaas of wijn, elk jaar te winnen aan diepte en zeggingskracht.
Beschouwde Lucebert schoonheid als onverantwoorde – want verdovende! – luxe?
Schoonheid bij wijze van “brood en spelen”?
Volgens veel literatuurcritici wel.

Maar het mooiste – excusez le mot! – van goede gedichten is de complexe meerduidigheid.
Goede gedichten zijn een diepe en onuitputtelijke bron van kristalhelder en levenbrengend water.
Water dat zich vrijelijk beweegt, dwars door alle literaire kritieken heen.

Zo haal ik uit dit gedicht dat “de ruimte van het volledig leven” zich “in deze tijd” júist verschanst in schoonheid.
Onze moderni-tijd waarin bijna nergens meer voor “het oorverdovend zonlicht” van dwangmatig technologisch optimisme te schuilen valt.
Schoonheid bij wijze van toevluchtsoord én inspiratie voor menselijkheid.
Luisterend naar de lokroep van de laatste restjes wilde natuur.

Lucebert zocht naar schoonheid, die echter geen troost** meer bleek te bieden:
Maar de mens verschrikt zij [en treft hem met het besef [een broodkruimel te zijn op de rok van het universum  [niet meer alleen het kwade [de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig [maar ook het goede [de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte morrelen*
Zo dichtte Lucebert wat NU gezegd moet worden.
Denk aan die kikker die zich door langzaam opwarmend water laat verdoven.
Om tijdig “aan de ruimte te morrelen” is een plotselinge schok noodzakelijk, diepe(!) wanhoop zelfs.
Want schoonheid – of liever het verdwijnen ervan – kán ons laten springen.

Mila Gras-Glas (1968)

* Lucebert, fragment uit het gedicht “Ik tracht op poëtische wijze”, uit de bundel “Lucebert. Van de afgrond en de luchtmens. De eerste vier bundels”, De Bezige Bij, 1999, p. 46
** Dit alles schreef ik voordat de dichter in het nieuws kwam vanwege zijn jeugdige nazi-sympathieën. Heel pijnlijk. Maar mogelijk hebben de hierop volgende worsteling, het schuldgevoel en de identiteitscrisis deze gedichten de enorme zeggingskracht gegeven? Want goed zijn ze. (20 juni 2018)
*** Zie ook: Mila Gras-Glas, “Over schoonheid, troost, én waarde”

maandag 10 april 2017

Over de noodzaak van babbelen

Vrouwen babbelen meer dan mannen.
Zo is het idee.
Babbelen: gezellig, maar nodeloos(!) langdurig(!) praten over onbeduidende(!) onderwerpen.
Synoniemen: kakelen, kleppen, klessebessen, kletsen, keutelen, keuvelen, kouten, kwebbelen, kwetteren, leuteren, ouwehoeren.
En in de praktijk vooral: roddelen.

Babbelen staat niet hoog in aanzien.
Helaas blijkt de effectiefste manier voor eerherstel van allerlei zaken*, waaronder gebabbel: bewijzen dat iets van oudsher geen typisch vrouwelijke specialiteit is.
Aanwijzingen hiervoor vond ik in onverwachte hoek, van een mán nog wel.

Evolutionair bioloog, fysioloog en biogeograaf – en autodidact-antropoloog en schrijver – Jared Diamond bracht jaren door tussen traditioneel levende volkeren.
Al snel merkte hij dat mannen uit deze afgelegen gemeenschappen, zoals bijvoorbeeld Papoea’s uit Nieuw-Guinea, meer babbelen dan alle Westerse vrouwen bij elkaar.
Volgens Diamond babbelen zij het klokje rond:
Ze leveren voortdurend commentaar op wat er nu aan de hand is, op wat er vanochtend en gisteren gebeurde, wie wat wanneer heeft gegeten, wie wanneer en waar stond te plassen, wie wat over wie zei en wie wat heeft aangedaan, en dat alles tot in de kleinste bijzonderheden. Ze praten niet alleen overdag ongelooflijk veel, ze worden ook ’s nachts van tijd tot tijd wakker en beginnen dan opnieuw te praten.**
Net als vriendinnen die onderling ellenlang ervaringen uitwisselen – babbelen, roddelen, kwáádspreken desnoods – over mannen.
Zodat ze bijvoorbeeld eindelijk een punt achter die hopeloze relatie kunnen zetten.
Omdat ze ineens kunnen benoemen wát er aan de hand is.

Je voorbereiden op de gevaren van het leven, noemt Diamond dat.
Ook wel: alert zijn op alledaagse vanzelfsprekendheden, oftewel “constructieve paranoia”.

Babbelen: een slimme meid is op haar toekomst voorbereid?
Helaas hebben mijn succesvolste carrièrevriendinnen wel iets beters te doen.
Want zij vinden babbelen zonde van de tijd.
Onze telefoontjes zijn praktisch en zakelijk, onze ontmoetingen opgewekt en opbouwend.

Moderne emancipatie: worden zoals verstandige mannen nóóit waren.
  
Mila Gras-Glas (1968)

* Denk bijvoorbeeld aan onderwijs en zorg
** Jared Diamond, “De wereld tot gisteren. Wat we kunnen leren van traditionele samenlevingen”, 2013, p. 313